People & Finance

Katja Herbers:
Hollands grootste Hollywood-ster

In Amerika spat haar portret van megagrote neon billboards. Katja Herbers (Amsterdam, 1980) is huge in Hollywood, dankzij haar verschijning in hitseries als Manhattan, The Americans, Westworld en momenteel Evil, waarin zij de hoofdrol vertolkt. Tussen de opnames door maakt ze tijd voor een, zo blijkt, zeer exclusief interview met LXRY. “Ik ben niet zo’n over-mezelf-prater.”

Tekst: Bart-Jan Brouwer
Beeld: Rahi Rezvani
Styling: Pascalle Koldenhof
Visagie: Shiona Franke
Online redactie: Mical Joseph

Je bent een ster in Hollywood, hebt ook in Nederland in grote producties gespeeld, toch kun je ongestoord over straat lopen.

“Laatst kwam ik iemand tegen die mij vertelde dat zijn favoriete serie Evil is en toch herkende hij mij niet. Ik ben daar alleen maar blij om. Mijn tegenspelers hadden mij bang gemaakt dat ik niet meer met de metro door New York zou kunnen reizen. Toen de show net uit was en al die billboards hingen, liep ik heel spastisch met petjes en zonnebrillen op rond. Maar dat was totale onzin. Niemand herkent mij ooit. In Nederland niet, in Amerika niet. Hoe dat komt? Ik heb geen idee. Kennelijk heb ik een heel onopvallend voorkomen. Dat komt mij wel goed uit, want ik heb geen enkele behoefte aan herkenning op straat.”

Wat zijn de kijkcijfers van Evil?

“Per aflevering kijken in Amerika live zo’n vijf miljoen mensen. Maar dit is een serie die meer leeft op de streaming en bovendien in nog twintig landen wordt uitgezonden. Dus het aantal kijkers ligt in werkelijkheid hoger. Ik vind het een goeie show, ben er trots op. De afgelopen vijf jaar heb ik mij echt geconcentreerd op Amerika. Het feit dat ik nu deze hoofdrol mag spelen, voelt als een accomplishment.”

Hoe anders is het om in Nederland te wonen?

“Om te beginnen is het harder werken. Je draait niet alleen meer uren, je hebt ook meer verantwoordelijkheid. Zeker de hoofdrol die ik nu speel voelt als een grote verantwoordelijkheid. In Nederland heerst geen hiërarchie, wat het erg leuk en gezellig maakt. Op een Amerikaanse filmset voelt het heel anders. De acteurs, de regisseur, de opnameleider: iedereen heeft zijn expertise en blijft daar ook bij. In Nederland hebben we het idee dat we van alles een beetje verstand hebben en is ieders mening belangrijk. Je zou bij wijze van spreken tegen een lichtman kunnen zeggen: ‘Is het niet mooier als je dat licht een beetje zou draaien?’ Dat vindt niemand raar. Moet je in Amerika niet proberen! Ik vind die mate van professionaliteit daar heel prettig.”

Denk jij dat dat je, nu je eindelijk een hoofdrol hebt, nog wel een stap terug kunt doen naar een bijrol?

“Of ze nu klein of groot zijn, ik wil interessante rollen spelen. Ik ga niet nu een of ander rukrolletje in een rukserie spelen. Maar zo sta ik er van het begin af aan al in. Als het een goed project is, teken ik ook voor een kleinere rol.”

Kreeg jij in Evil de kans om je karakter mede vorm te geven?

“Ja, heel erg. Sterker: als je zo’n serie draait, ben je als hoofdrolspeler gek genoeg belangrijker dan de regisseur in de hiërarchie op de set. Dat vind ik soms onprettig, ik hoor graag wat een regisseur ergens van vindt. Maar omdat elke aflevering van Evil een andere regisseur heeft, wordt aangenomen dat de acteurs beter weten wat hun rol inhoudt dan die mensen die tijdelijk op de set staan. In principe moet ik mij heel anders voorbereiden. Meestal doe ik dat op een manier dat ik alle kanten op kan, dat ik snel kan veranderen wanneer de regisseur dat vraagt. In dit geval moet ik van tevoren meer keuzes maken over hoe ik iets ga doen, omdat er geen tijd is en ook weinig sturing.”

Jij verblijft de helft van de tijd in Amerika. Hoe kijken de mensen daar tegen ons landje aan?

“De meeste mensen weten helemaal niet dat ik uit Nederland kom. Dat moet ik erbij vertellen. Ik heb geen Nederlands accent. Tijdens mijn kindertijd heeft een Canadese au pair een jaar lang bij ons in huis gewoond. Alhoewel dat ook niet alle verschil heeft gemaakt: mijn broer en zus zijn niet accentloos. Ik wist altijd al dat ik dit wilde, misschien is dat het verschil. Dus toen die au pair bij ons woonde, heb ik heel goed opgelet. Al vanaf mijn tiende heb ik geoefend.”

Dus je wist toen al dat later naar Amerika wilde?

“Ik wist dat ik actrice wilde worden én dat ik actrice in Amerika wilde zijn, omdat de meeste series en films die ik zag, daarvandaan kwamen. Daar moet ik zijn, dacht ik.”

© Rahi Rezvani

© Rahi Rezvani

Was het niet logischer dat jij, als dochter van hoboïst Werner Herbers en violiste Vera Beths, muzikant zou worden?

“Mijn moeder was op haar vierde al een wonderkind op de viool. Op je vijfde of zesde weet je al of je de muziek in gaat. Zij hebben dat ook niet echt geprobeerd bij mij, vind ik. En ik heb het ook niet opgepakt. Het is ook een heel andere generatie. Vroeger was er geen televisie, om maar wat te noemen. Je moest je op een andere manier zien te vermaken. De grootvader van mijn moeders kant was bovendien musicus. Hij heeft meteen bij haar dat talent gevoeld en haar daar heel streng in begeleid.”

Na het St. Ignatiusgymnasium koos je voor de studie Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Waarom?

“Psychologie was plan B, ik wist echt zeker dat ik actrice wilde worden. Die studie zou mij daarbij helpen, want dan begreep ik mensen beter en kon ik meer verschillende karakters spelen. Niet dat ik psycholoog wilde worden. Maar mocht het niet lukken om actrice te worden, dan had ik een back-up voor iets wat ik ook interessant vind.”

Wat deed jou besluiten om na één jaar al het roer om te gooien en op 19-jarige leeftijd naar de HB Studio te gaan, een theaterschool in New York?

“In mijn vrije tijd zat ik op een particuliere theaterschool, De Trap, ergens drie hoog achter in Amsterdam. Daar moest ik een improvisatie doen – ik geloof dat ik speelde dat mijn vriend het wilde uitmaken. Binnen die improvisatie deed ik de ramen open en schreeuwde naar buiten. Toen is de politie gekomen; die dacht dat er echt iets vreselijks aan de hand was. O wacht, dacht ik, ik kan iets. Op De Trap kwam ik erachter dat er een talent achter mijn wens zat. Daarop ben ik gestopt met mijn studie.”

Waarom ging je naar Amerika en niet naar een toneelschool in Nederland?

“Ik was afgewezen in Amsterdam. Ze zeiden dat ik te pril was. Dat begreep ik heel goed. Ik denk dat niemand met negentien jaar naar de toneelschool moet gaan. Je kunt beter eerst een beetje gaan leven, anders weet je niet waar je het over hebt. Ik besloot te gaan ‘ontprillen’ in New York. Daar heb ik gewoond, acteercursussen gevolgd bij de HB Studio en wat gereisd. Terug in Nederland ben ik kort regieassistente geweest bij het Nationale Toneel, waarna ik auditie heb gedaan voor de Toneel- en Kleinkunst Academie in Amsterdam, Maastricht en Arnhem. Arnhem wilde mij overigens niet hebben, Maastricht en Amsterdam wel.”

“Ik ben niet zo’n over-mezelf-prater en vind het zelf ook prettig om niet veel van het privéleven van acteurs te weten, zodat ik me steeds in een andere rol kan verliezen als ik naar ze kijk”

Vooral in Amsterdam was het een bijzondere auditie… Vertel.

“Bij de HB Studio had ik de opdracht gekregen om in een museum een portret van iemand uit te zoeken en daar een leven achter te bedenken. Ik had een zielige foto van Diane Arbus uitgekozen van een vrouw die alleen aan een tafel zit. Daarbij had ik een stukje bedacht dat die vrouw de tafel had gedekt voor haarzelf en iemand anders, maar die andere persoon nooit was komen opdagen. Uit totale eenzaamheid en ellende smeert ze uiteindelijk de appelmoes in haar gezicht. Dat vonden die Amerikanen helemaal te gek. Tot tranen geroerd waren ze. ‘How you captured the loneliness of this woman!’ Ik dacht van de weeromstuit ook dat ik iets geniaals had bedacht. Toen ik voor de auditie van de laatste ronde van de toneelschool een stukje moest bedenken, besloot ik mijn appelmoesnummer weer op te voeren. Na afloop moest ik in het kantoortje van directeur Ruut Weissman komen. ‘Ik wil je echt een kans geven, want volgens mij kan je wel wat’, zei hij. ‘Maar die act met die appelmoes, beloof me dat je dat nooit meer doet.’ Ze vonden dat het lelijkste wat ze ooit gezien hadden, haha.”

Je cv vulde zich rap met steeds meer aansprekende titels als Loft, Sonny Boy en Süskind. Vanwaar dan jouw keuze voor de low budget horrorfilm De Poel?

“Omdat ik met Gijs Scholten van Aschat wilde spelen én scenarioschrijver Chris Mitchell wilde helpen, een ontzettend leuke vent die ik nog van Süskind kende. De Poel is een film die voor een appel en een ei is gemaakt. We sliepen in een hutje op de heide, waar de opnames plaatsvonden. Best wel Spartaans. Voor één scène moest ik onder water verdwijnen. Midden in de nacht, het was ijs- en ijskoud, moest ik in een donkere poel springen. Ik zag geen hand voor ogen. En de camera, die onder het wateroppervlak was gepositioneerd, kon ik al helemaal niet zien. ‘Spring gewoon, spring gewoon’, werd geroepen. Ik landde met mijn hoofd vol op die camera. Door de koude raakte ik bovendien mijn stem kwijt, waardoor ik de zangoptredens die ik met Reinbert de Leeuw zou doen, moest afzeggen. Zoiets zou in Amerika minder snel gebeuren. Een acteur wordt daar misschien met meer respect behandeld. Niemand zou je pushen om te springen, bovendien zijn daar altijd stunttrainers bij en zou er een ruimte zijn waar je weer kon opwarmen. Als acteur ben je best kwetsbaar; je moet al die emoties maar uitbeelden. Kopje ondergaan in koud en donker water is iets anders dan de catering doen. Er zijn risico’s aan verbonden. Mijn hele lichaam zit vol littekens van rollen die ik gespeeld heb. Nu ik ouder en meer ervaren ben, zeg ik gewoon: ‘Dit gaat niet werken.’”

Je beperkte je niet tot het witte doek en de televisie. In het theater maakte je furore bij grote theatergezelschappen als het Nationale Toneel, Toneelgroep Amsterdam, de Theatercompagnie, NT Gent en de Münchner Kammerspiele. Deed je dat ook vooral weer voor die verscheidenheid?

“Ik wilde gewoon heel goed worden als actrice en dacht dat ik in het theater echt wat kon leren. Aan film kun je beter pas beginnen als je weet wat je aan het doen bent; daar leer je verder niet zo veel. De basis leer je op de toneelschool en daarna in het theater. Ik heb ongeveer alles geleerd van regisseurs als Theu Boermans en Johan Simons. Het omgaan met tekst, de opbouw van een personage, fysieke abstractie…”

© Rahi Rezvani

© Rahi Rezvani

Jouw vertolking in 2013 van Irina in Drie Zusters van het Nationale Toneel, waarvoor jij de Guido De Moorprijs ontving, is het voorlopige slotstuk van jouw toneelcarrière. Had dat te maken met jouw oversteek naar Amerika?

“Ja, ik wilde het een jaar gaan proberen in Amerika. Toen heb ik geen werk meer aangenomen – dat was wel even eng. Ik had geld gespaard en maakte de sprong.”

Al na twee weken was het raak: je belandde op een lijstje voor Extant, een nieuwe serie met producent Steven Spielberg. Jij zou het doek delen met Halle Berry. Maar het liep mis op de beruchte greencard…

“Homeland security deed er langer over dan gepland om mijn aanvraag te honoreren en daar konden de producenten niet op wachten. Het was een kwestie van drie dagen… Ik werd behoorlijk gek. Achteraf ben ik blij dat het niet is doorgegaan, want Extant was geen goede serie. Het was mijn eerste in, dus ik zou de rol waarschijnlijk niet hebben afgezegd. Maar dit was niet waarvoor ik naar Amerika gekomen was. Ik wilde alleen in series spelen die ik goed vond. Zelf keek ik vroeger naar The Sopranos, Six Feet Under… Echt goeie series. En Extant was dat niet. Dat voelde ik al bij het lezen van het script.”

Toch was de auditie niet voor niets geweest: omdat jouw naam aan een project van Spielberg was verbonden, leek iedereen plotseling te weten wie je was.

“Dat werd mij wel verteld, ja. Maar dat soort dingen heeft maar een houdbaarheid van 24 uur. In Amerika gaat het – net als hier, maar hier is het veel kleiner – over het opbouwen van een goede naam. Je doet heel veel audities die niets opleveren, maar dat betekent wel dat mensen steeds opnieuw werk van je zien. En wat goed is, praat zich door.”

Je kwam in beeld voor een rol in Manhattan.

“Een geluk bij een ongeluk. Het was mijn vierde auditie pas. Toen ik dat script las, dacht ik meteen: dit is geniaal. Manhattan werd gemaakt door dezelfde mensen die The West Wing hadden gedaan, ook een serie die ik fantastisch vind. Dit was wél waarvoor ik naar Amerika gekomen was.”

Jouw rol in Manhattan liet het niet toe dat jij de Marvel Comics-film Deadpool kon spelen.

“Na het eerste seizoen kon ik de vrouwelijke rol, naast Ryan Reynolds, in deze superheldenfilm spelen. Maar dat ging niet door omdat het niet met de opnames voor het vervolg van Manhattan te combineren was. Dat zijn van die dingen dat je denkt ‘o fuck!’. De film brak allerlei records en bracht wereldwijd 782 miljoen dollar op. Die rol was gigantisch geweest, dan was mijn carrière anders gelopen.”

Wel kreeg jij een rol in het tweede seizoen van de prestigieuze HBO-serie Westworld, waarin robots in een westernthemapark in opstand komen tegen de mens.

“Dat is een goed voorbeeld van een casting director die veel audities van mij had gezien en dacht: jij moet Westworld doen. Het was fantastisch om te doen.”

In Evil speel jij een forensisch psycholoog die met een spirituele priester-in-opleiding (Mike Colter) op zoek gaat naar de reden achter ‘unexplained phenonema’ – is het wetenschappelijk uit te leggen, of is er iets aan de hand. Wat dacht je toen je het script voor het eerst las?

“Ik vond het meteen waanzinnig. Robert en Michelle King zijn echt ontzettend goede schrijvers, die eerder series als The Good Wife en The Good Fight hebben bedacht. Ze staan bekend om hoe goed en gecompliceerd hun vrouwenrollen zijn. Ik vond het script fascinerend, maar ik vond het vooral heel fantastisch om de hoofdrol te spelen; dat had ik nog nooit eerder gedaan. Ik wilde heel graag een serie dragen. Mijn rol is een gecompliceerd karakter, iemand met wie van alles aan de hand is en waarmee ik veel verschillende kanten op kan. De Kings waren er vooral in geïnteresseerd dat ik in Nederland veel comedy had gedaan. Zij wilden iemand die ook lichtheid kon brengen in die toch wat duistere wereld.”

Onderwerpen als racisme en MeToo komen voorbij. In hoeverre vind jij dat series en films de kijkers iets anders dan alleen entertainment moeten meegeven?

“Ik ben zelf het meest geëntertaind als het echt ergens over gaat. Niet in een belerende manier, maar als het gaat over de wereld waarin we nu leven – dat vind ik zo leuk aan deze serie. In één aflevering gaat het erover hoe Afro-Amerikanen in ziekenhuizen niet serieus genomen worden. Het sterftecijfers bij geboortes is onder Afro-Amerikanen veel groter, dat is een angstaanjagend verschil. Amerika is een land van grote extremen: het is er heel geweldig, maar ook absoluut verschrikkelijk.”

Wat merk jij er concreet van dat Trump het land bestuurt?

“Het is echt verschrikkelijk. Dat merk ik aan mijn vrienden, maar zo ervaar ik het ook zelf. Dat hij het land bestuurt is een vrijbrief voor een heleboel mensen om hun racistische aard te tonen, want deze vent zegt dat dat allemaal prima is. Je hoeft niet meer te verstoppen dat je eigenlijk racist of vrouwenhater bent. Ik ben voornamelijk in New York of Californië, dat zijn heel democratische staten. Maar als ik het nieuws lees en zie wat er allemaal gebeurt, van fakkelmarsen door extreemrechtse blanken in Charlottesville tot seksistische opmerkingen als ‘Grab them by the pussy’: als je dat werkelijk in je opneemt, word je er knetterziek van. Ik heb het gevoel alsof ik in een vreselijke relatie zit met iemand, en die iemand is Trump. Dat kost veel energie. Die man moet uit ons leven weg.”

Jouw zus, de documentairemaakster Carine Bijlsma, had afgelopen jaar ook succes in Amerika, met de première van haar documentaire over soulicoon D’Angelo. Hoe is jouw contact met haar?

“We wonen in hetzelfde huis in Nederland en zijn heel close. Haar documentaire is echt prachtig. Ik ben heel trots op haar.”

Gaan we ooit een documentaire van haar hand te zien krijgen over Katja in Hollywood?

“Ik denk het niet, want ik heb er niet zo’n behoefte aan dat iemand mij in mijn privéleven volgt met de camera. Ik speel liever iemand anders.”

Jouw eerste interview in Nederland zit erop, hoe ongemakkelijk vond je het?

“Ik wijs niet voor niets alle verzoeken af. Hier worden megapersoonlijke vragen gesteld. In Nederland vindt men het heel normaal om dat met elkaar te bespreken en in een blad te lezen. Ik vind dat absurd. In Amerika geef ik soms wel een interview, omdat het daar om de rol gaat die ik speel. Dat vind ik normaal, want dat is mijn werk – ik begrijp waarvoor ik er zit. Ik begrijp niet waarom ik als privépersoon interessant zou zijn. Mijn privépersoon is niet mijn werk, ik ben geen realityster. Begrijp me goed: met jou praten vind ik hartstikke gezellig – laten we leuk uit eten gaan. Maar ik heb moeite met de publieke kant van mijn beroep.”

Mensen moeten jouw films en series zien en that’s it.

“Dat is een leuke conclusie. Van mij hoeft niemand iets van mij persoonlijk te weten, behalve dat ik Trump een gevaarlijke gek vind en dat ik vind dat mensen geen plastic waterflesjes moeten kopen.”

Lees het volledige interview in LXRY Magazine

Benieuwd naar de rest van het verhaal? Het grote interview met Katja Herbers lees je in het laatste LXRY Magazine, te bestellen via de onderstaande knop.

LXRY Magazine #41