People & Finance

Dit is Akwasi:
"Ik ben een slaaf
van het woord"

Toen LXRY Magazine Akwasi in 2017 sprak, resulteerde dat in een zeer inspirerend interview. Morgen is deze stijlicoon 'The Man of the Week’ in Yves’ Podcast. Yves sprak vandaag uitgebreid met Akwasi en zal morgen in zijn podcast toelichten wat is besproken. Een uur na het gesprek van vandaag leverde Akwasi zijn telefoon in voor onbepaalde tijd. Morgen luisteren dus, als ook het vaste panel in Yves' podcast van de partij is (elke vrijdag online om 17.00 uur). Lees hier vast het hele interview uit LXRY: meet Akwasi Owusu Ansah.

Tekst: Bart-Jan Brouwer
Beeld: Rahi Rezvani
Styling: Lissa Brandon
Visagie: Hanan Chahid
Natural hair artist: Anoeska Schmidt
Online redactie: Mical Joseph

Jij kwam in 1988 ter wereld in Amsterdam. In wat voor gezin kwam je terecht?

“Ik kwam in een Ghanees huishouden in de Bijlmer terecht, met een tien jaar oudere broer, Kwame, en een vier jaar oudere zus, Nanaama. Kijk, hier zie je ons… [zoekt op zijn mobieltje en toont een foto waarop drie kleine kinderen staan]. Dit waren wij. Ik had toen blijkbaar een iets lichtere huidskleur. In de loop der jaren ben ik donkerder geworden. Geen idee eigenlijk hoe dat komt. Ik kreeg er nog twee broertjes bij – ik ben dus de middelste. We woonden in Kleiburg, een honinggraatvormige flat in de wijk Kraaiennest.”

Als je op maandag zou zijn geboren, hoe had je dan geheten?

“Kwadwó. Kinderen krijgen de naam van de dag waarop ze geboren zijn. In de basis zijn er zeven namen, voor jongens en voor meisjes, maar daar heb je wel varianten op. Ik ben op zondag geboren en mijn naam wordt geassocieerd met het universum. Dus eigenlijk ben ik het universum, haha. Akwasi is net zoiets als Jeroen. Hoeveel Jeroens zijn er wel niet in Nederland? In onze familie houden we ons er niet zo streng aan, hoor. Mijn jongere broertjes heten Junior en Mitchell – niks dagen van de week.”

Wat deden je ouders?

“Mijn vader werkte bij een sigarenboer, mijn moeder als kamermeisje in een hotel. Ze woonden daarvoor in Londen. Daar is mijn zus geboren. Omdat mijn vader geen verblijfsvergunning voor mijn moeder kon regelen, zijn ze naar Amsterdam verhuisd. Daar ging dat makkelijker, want daar was een Ghanese gemeenschap. Volgens mij wonen er in Nederland tegen de 50.000 Ghanezen. Zeker in de Bijlmer vind je er momenteel veel. Ga maar eens op zondagochtend naar de kerk daar. Ghanezen zijn heel erg gelovig, ze bidden en dansen veel.”

Ga jij ook naar de kerk?

“Op dit moment minder. Ik ben vaak aan het werk op zondag – ik zit in de studio of moet optreden. Ik ben een beetje een workhaholic geworden.”

God moet wijken…

“God moet zeker niet wijken. Hij zit nog steeds in mij en ik blijf Hem dankbaar voor alles. Als ik een maaltijd krijg, sla ik eerst een gebedje in mijn hoofd: ‘Heere, zegen deze spijze en dranke, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen’. Dat hoeft niemand te weten, ik doe het voor mezelf. Anders smaakt mijn eten ook niet. Dat heb ik écht! Ik ging vroeger altijd naar de zondagsschool, en dan was ik met allemaal andere kleine Ghanese kinderen, de nieuwe generatie Ghanese Nederlanders. Met een aantal van hen heb ik nog steeds contact.”

Waarom zijn je ouders uit Ghana weggegaan?

“Mijn vader is zo rond zijn achttiende vertrokken. Mijn moeder ging hem later achterna. Hij wist dat er meer was op de wereld en wilde een beter leven voor zichzelf en voor Kwame, die er toen al was. Wat zeker ook meespeelde, is dat zijn oudere zussen al in Amsterdam woonden. Hij maakt nu plannen om weer terug te keren naar Ghana, definitief. Hij is daar met een bedrijf bezig dat gespecialiseerd is in hout.”

Dus geen sigaren meer…

“Nee, hij was altijd aan het ondernemen. Hij vond het belangrijk om continu op onderzoek uit te gaan: Waar kan ik wat verdienen? Hoe haal ik het meeste uit mijn leven?”

Heb jij veel familie in Ghana?

“Heel veel. Mijn opa, van vaders kant, heeft vijf vrouwen gehad en 41 kinderen bij hen verwekt. Op het moment dat hij overleed had hij 108 kleinkinderen. Ik vind dat best wel heftig. Mijn broer, die naar hem is vernoemd, heeft vijf kinderen bij drie vrouwen. Vroeger was hij altijd mijn voorbeeld, maar op dat gebied niet. Ik zou wel vijf kinderen willen hebben, maar niet bij drie vrouwen. Ik denk dat ik daar heel veel hoofdpijn van zou krijgen.”

Kom jij vaak in Ghana?

“Ik ben er in totaal vier keer geweest. Met het hele gezin. Mijn vader had meerdere baantjes om die tripjes te kunnen bekostigen. Dan ging hij van de sigarenboer in de Bijlmer naar de sigarenboer in Osdorp en vandaar weer naar Schiphol om bagage te vervoeren. Daarnaast was hij snorder, een zwarte taxi in de Bijlmer. Sowieso waren onze vakanties altijd familiebezoekjes. We hadden ook ooms en tantes in bijvoorbeeld Duitsland die we bezochten. Begin maart (kort voor publicatie van deze editie; red.) ga ik weer. Dit keer niet met familie, maar met vrienden. Dan ga ik het land onderzoeken. Want ik ken Ghana helemaal niet zo goed.

Ik wil naar het Friesland en Groningen van Ghana gaan. Ik ben alleen nog maar in het zuiden geweest. Wij behoren tot de Ashanti, een etnische groep in een zuidelijk gelegen regio. Ik wil onderzoeken wat de raakvlakken zijn. Ik ben op 6 maart jarig, dat is ook de dag dat Ghana onafhankelijk werd verklaard, in 1957. Voor het eerst ga ik Onafhankelijkheidsdag meemaken. Hoe wordt dat gevierd? Hoe belangrijk is dat voor de Ghanees? Ik wil onderzoeken wat Ghana precies voor mij betekent. Ik ben hartstikke Nederlands, maar ben volbloed Ghanees. Ik ben benieuwd naar mijn roots en wil die verwerken in mijn muziek.”

Heb je een gevoel van thuiskomen als je daar landt?

“Steeds meer, maar ik kom vooral thuis als ik op Schiphol land.”

In hoeverre voel jij je een Black Star?

“Ik voel me een Black Star als Ghana voetbalt, zoals laatst tijdens de Afrika Cup, waarbij ze vierde werden.”

Zullen we jou niet snel met een oranje klomp op je hoofd betrappen?

“Vroeger, toen ik nog geen dreads had, heb ik met Koninginnedag mijn haar wel eens oranje geverfd. En ik heb een aantal shirts van het Nederlands Elftal. Eergisteren nog droeg ik een trainingsshirt van Oranje. Ik houd van het Nederlands Elftal. Als ik profvoetballer was geworden en zou moeten kiezen, pff, dan wist ik het wel. Alhoewel het Nederlands Elftal van nu mij minder aanspreekt dan van destijds, met Patrick Kluivert, Edgar Davids en Clarence Seedorf. Zwarte helden waarin ik me kan herkennen. Als jongetje in de Bijlmer was ik vroeger ook vooral aan het voetballen.”

Wat is je vroegste herinnering?

“De Bijlmerramp van 4 oktober 1992. We hadden een mooi uitzicht vanaf Kleiburg op de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg, waar het vliegtuig op neerstortte. Ik weet nog dat we fufu aten – een typisch West-Afrikaans gerecht van cassave en/of bakbananen – met pindasoep en kip, en dat er voetbal op televisie was. Later heb ik gegoogeld welke wedstrijd dat was: RKC Waalwijk – Ajax 0-5. Toen hoorden we die enorme knal. Ik herinner me dat we naar beneden gingen met z’n allen. Ik zag mensen in badjas, in Helly Hansen-jas, op slippers… Ze haastten zich om naar buiten te gaan, om te kijken wat er was gebeurd. Het leek wel een concert, een volle Heineken Music Hall, zo veel mensen waren op de been. Alleen keken we niet naar iemand die optrad, maar naar een inferno, een enorme vuurbal.”

Je was toen vier jaar. Besefte je dat het een ramp was?

“Ik had het niet helemaal door. Dat kwam pas op school, toen bleek dat er kinderen van mijn school, en volgens mij ook uit mijn klas, waren omgekomen. We moesten toen allemaal tekeningen voor ze maken. Later kwam er een boek uit en daar stond een van mijn tekeningen in, van een gebouw dat in de fik stond. Ik had ook tekeningen gemaakt van mijn kleine broertje dat in zijn wieg lag en van mijn vader en moeder die naar beneden gingen. Ik had ze met wieltjes in plaats van benen getekend: ze rolden vooruit.”

Jullie aten fufu, gingen naar de kerk… Welke andere Ghanese tradities waren overeind gebleven?

“We speelden vaak ludo, de Ghanese versie van mens-erger-je-niet, met op het bord plaatjes van Ghanese sterren afgedrukt. Maar we liepen niet in traditionele kleding rond of zo. Het was een westers huishouden.”

Een jaar na de Bijlmerramp verhuisden jullie naar Osdorp. Waarom?

“Daar heb ik het wel eens met mijn vader over gehad. Vlak voor de ramp was er bij ons inge- broken en na de ramp was daartoe weer een poging gedaan. Wat de doorslag gaf, was een beroving in de donkere garage. Mijn vader stapte op een avond, na zijn werk, tussen tien en elf uit de auto. Twee jongen kwamen op hem af. Ze vroegen of hij een autoradio wilde kopen. Mijn vader zei dat hij geen interesse had en liep weg. Vervolgens vroegen ze of hij een horloge wilde kopen. Mijn vader bedank- te wederom. Toen zei een van die jongens: ‘En wat vind je hiervan?’ Mijn vader keek in de loop van een pistool. De ander liet kogels zien om aan te tonen dat het een echt wapen was. Ze wilden zijn armband, zijn ketting – hij droeg nog Ghanees goud –, zijn portemonnee… alles. Daar was hij erg van geschrokken. Binnen zes maanden woonden we in Osdorp.”

Met welke nationaliteiten gingen jullie niet goed om?

“Mijn pa zei altijd dat Nigerianen niet okay zijn. Ghana en Nigeria hebben altijd een enorme vete gehad, het is een beetje te vergelijken met wat Nederland en Duitsland hebben.”

Dus jij hebt nooit een Nigeriaans meisje mee naar huis genomen?

“Nee, maar ik heb wel Nigeriaanse kennissen – ik ben minder van het over één kam scheren. Maar mijn oudste zus was getrouwd met een Nigeriaan. Tot grote, heel grote onvrede van mijn vader.”

Heb jij ook wel eens raad van je vader in de wind geslagen?

“Nee. Maar ik was wel het meest koppig van alle kinderen. En het meest ad rem, ik reageerde gewoon altijd snel – en nog steeds. Maar vroeger vatten ze dat op als brutaal. Dat heb ik geweten: ik heb best veel klappen gekregen.”

Hoe ging dat?

“Dan pakte mijn vader de riem en zei: ‘Ik moet je dit afleren, want dit kan niet. Hoe je nu praat tegen mij, dat is niet okay.’ Soms deed hij dat ten overstaan van mijn vrienden of buren. Dat was best wel lelijk. Ik heb tijden gehad dat ik dacht: fock it, ik ga niet naar huis. Het was niet mishandeling of zo, maar ik was bang. Dan was ik echt aan het slikken voordat ik naar binnen ging.”

Nooit het idee gehad om de Kinderbescherming in te schakelen?

“Die drempel was te hoog. Uiteindelijk heb ik het zelf opgelost: door te schrijven en te tekenen. Dat was mijn uitlaatklep.”

Hoe uitte jij je dan, als je net een pak rammel had gekregen?

“Dan schreef ik heel vrolijke stukken. Als ik vrolijk ben, schrijf ik boze stukken en vice versa. Heel gek werkt dat met mij. Woede wordt een gif waarvan ik een medicijn probeer te maken.”

Stel je voor dat je vroeger geen slaag had gekregen, dan was je misschien niet de woordkunstenaar geworden die je nu bent.

“Inderdaad. Misschien was ik dan wel de verkeerde kant opgegaan. Dat had heel goed gekund. Dat is alleen niet zeker. Maar van mijzelf weet ik dat ik mijn kinderen nooit zal slaan. Je kunt ook op een creatieve manier straffen. Acteur René van Zinnicq Bergmann was een van mijn docenten op de vooropleiding van een dramaschool in Amsterdam. Ik kwam een keer twee uur te laat, omdat ik een draaidag had. Hij stuurde me niet weg, maar gaf mij de opdracht om een scène te creëren over waarom ik te laat was en die in mijn eentje op te voeren. Dat heeft impact op mij gemaakt.”

Wat is de belangrijkste les die je van je ouders hebt meegekregen?

“Respect. In Ghanese huishoudens moet je je ouders altijd met twee woorden aanspreken. Dat doe ik nog steeds. We praten Ghanees met elkaar. Hun Nederlands is nog altijd niet optimaal. Als jij langs zou komen, zouden we Engels spreken. Ik spreek dus drie talen. Maar ik denk en droom in het Nederlands. Ik kan mij het best verwoorden en schrijven in het Nederlands. Engels is mijn tweede taal.”

Naar wat voor school ging je?

“Een gemengde school, de Sint Paulusschool. In het begin werd ik gepest om mijn naam, heel erg. Ik weet nog goed dat een juf in de kring alle namen oplas: ‘Thomas? Ja. Danny? Ja. Mohammed? Ja. Akwa… Aquarium?’ De hele klas barstte in lachen uit. Dat was mijn intro- ductie. Heel lullig. Als resultaat daarvan ben ik weleens gepest. Kinderen noemden mij Aquarium, Waterhoofd, Vissenkom… Ik zat in groep 3, en er waren zelfs kinderen uit groep 8 die riepen: ‘Hey, Groothoofd’ of ‘Hey, Aquafresh’. Iedereen moest lachen om de verbasteringen van mijn naam. Er was een tijd dat ik echt niet Akwasi wilde heten, dat ik niet trots was op mijn naam.”

Wanneer kwam je tot het besef dat je vanwege je kleur anders was?

“Op de middelbare school. Het was heel moeilijk om een school te vinden. Uiteindelijk werd het er een in de Bijlmer. Ik ging toen bij mijn tante wonen, de zus van mijn vader. Want daardoor woonde ik op slechts vijf minuten van school. Ik had verwacht dat de meeste kinderen donker zouden zijn, maar tot mijn verbazing was het vrij wit. Op school zoeken kleuren elkaar op: wit zoekt wit op, bruin zoekt bruin op, geel zoekt geel op. Alleen was ik daarin anders: vanaf dag één was mijn beste vriend wit. Thomas heette hij. Blond haar, blauwe ogen en hij woonde in Oud-Zuid. Hij vond altijd dat ik raar sprak. Hij zei: ‘Als ik mijn ogen dichtdoe en je hoor praten, dan ben je ook blond en wit. Maar je bent anders. Waarom praat jij als een Nederlander, waarom praat je zo wit?’ Haha. Thomas maakte duidelijk dat er wel verschil was tussen ons. Hij zei: ‘Ik ben blank en jij bent zwart. Dus ik krijg dingen makkelijker gedaan dan jij.’ En dat was ook zo. Als hij te laat kwam, werd het door de vingers gezien. Kwam ik te laat, dan werd het flink uitgemeten. Dat soort dingen gingen we ook uitproberen. We konden er allebei om lachen, we waren Sjors & Sjimmie. Tegelijkertijd was er ook onderlinge discriminatie. Antillianen en Surinamers keken anders naar Afrikaanse mensen, noemden ons bokoe, stinkvis. Of ze noemden mij Te Zwart. Er waren op mijn school zelfs Ghanezen die zich voordeden als Surinamers.”

Heb jij ooit iets gedaan wat niet door de beugel kon?

“Ik heb een keer met twee vrienden in de Gall & Gall bij de AH op de Nieuwezijds Voorburgwal drank gestolen om ons lekker te bezatten. Toen werd ik gesnapt. Want ik ben een heel slechte dief. Mijn vrienden wisten te ontkomen. De beveiligingsbeambte nam me mee naar zijn kamer en liet me de opnames zien: op heterdaad betrapt. Ik kreeg een winkelverbod, mocht daar een jaar niet komen. En ik was ook echt bang om nog in de buurt te komen, want die man had gezegd: ‘Als ik je nog één keer zie, dan ga je mee.’”

Hoe reageerde je vader?

“Ik was toen vijftien, zestien – net in mijn opstandige periode – en wilde mijn haar laten groeien. Mijn vader heeft me toen voor straf kaal geschoren. Dat was niet fijn.”

Wanneer begon je met rappen?

“Als kind was ik altijd al aan het neuriën en met mijn vingers op de tafel aan het roffelen. En er kwam altijd muziek uit de grote speakers in onze huiskamer. Mijn ouders speelden Ghanese muziek en gospel, mijn zus draaide soul en r&b, mijn broer hiphop. Hiphop bleef echt hangen, en gospel ook. Tijdens het eten was ik ook aan het neuriën. Mijn vader trok dat niet en riep dan: ‘Hé, mond dicht en eten!’ Ik heb het daardoor ook echt afgeleerd. Sterker: ik heb heel lang in stilte gegeten. Het komt nu wel weer terug, ik praat weer aan tafel. Maar vroeger was dat echt anders: ik durfde niet te praten als ik at.”

Wanneer drong bij jou het besef door: ik ga iets met muziek en schrijven doen?

“Ik las altijd heel veel, ging als kind vaak naar de bieb en vond het heel mooi hoe zinnen in elkaar zaten. Op mijn twaalfde begon ik met schrijven en twee jaar later met echt ritmisch schrijven. Ik weet nog dat op mijn vijftiende de negerzoen werd afgeschaft. Er was een site, ‘De negerzoen moet blijven’, waarop mensen er heel moeilijk over deden. Daar las ik berichten als ‘Negers moeten blij zijn dat ze geassocieerd worden met een lekkernij’ en ‘Negerzoenen mogen blijven, negers mogen het land uit’. Heel erg rechtse opvattingen, een beetje de voorloper van wat er nu gebeurt. Ik reageerde als volgt op dat forum: ‘Ik kan me heel goed voorstellen dat er donkere mensen zijn die het woord neger al beledigend vinden, laat staan negerzoen. In België heb je negerinnentetten, in Engeland negro kisses, in Frankrijk tête de nègre…’ En zo ging ik nog even door. Ik had er echt research naar gedaan en ver- telde dat het niet eerlijk was voor zwarte men- sen om zo genoemd te worden. De reacties op dat forum… Ik werd uitgescholden! Uitgejoeld! ‘Je bent vast een neger, opdonderen!’ Ik wilde net een antwoord gaan typen, maar voordat ik dat kon doen, werd ik geblokt van de website. Ik was woedend, echt furieus. Dan kun je je ouders daar wel mee lastigvallen, maar ik besloot nog verder onderzoek te gaan doen, nog meer te gaan schrijven. Ik ging de negerzoen bestuderen, en ook blanke vla en de jodenkoek. Dat werd mijn eerste stuk en dat heette Negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken. Dit betoog droeg ik voor tijdens Kunstbende, een wedstrijd voor jong creatief talent. Mijn tekst ging over de afkomst van negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken, en over het feit dat wit en zwart alles is.

Alles wat zwart is, is negatief: zwartrijden, zwartwerken, Zwarte Piet, zwarte magie. En blank is wit, wit is goed, goed is blank, blank is prachtig, prachtig is rein, helder, verfrissend. Dat legde ik daar allemaal uit. En terwijl ik dat deed, gooide ik negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken in het publiek. Om mijn woe- de te uiten. Ik kwam in de finale van Kunstbende en werd opgepikt door allerlei instanties tegen discriminatie, waaronder de Nationale Jeugdraad die campagne voerde met All different, all equal. Tussen mijn veertiende en zeventiende heb ik met deze monoloog door Nederland en België getourd. Dat waren mijn eerste stappen in de praktijk. Tijdens de finale was ik bovendien gescout door Wouter van Couwelaar, door wie ik bij theatergroep Likeminds terecht kwam. Het was een nevenactiviteit. Maar wel één die uiteindelijk zou leiden naar de voor- opleiding voor de theaterschool en daarna de toneelacademie. Als ik hem niet had ontmoet, was ik misschien wel een heel andere richting uitgegaan.”

En als de negerzoen niet verboden was geworden, was je niet furieus geworden…

“Klopt. En ik zou in 2007 de hiphopformatie Zwart Licht niet zijn begonnen, als er geen discriminatie en racisme was geweest. Negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken was de opmaat naar die tijd. Zwart Licht staat voor al het zwarte dat we in een goed daglicht willen plaatsen. En we moesten bovenmaats presteren. Want als we slecht presteerden, waren we extra slecht. Dat is een beetje onze filosofie. Ik werk voor mijn leven en probeer een rolmodel te zijn voor mensen die mij zien. Ik was laatst aan de lijn met de Nederlandse ambassade in Ghana. Ik word steeds meer een link tussen beide landen. Als je denkt aan Ghanezen in Nederland, dan moet ik sowieso in de top 3 staan. Zo niet, dan ga ik daarvoor zorgen.”

Zwart Licht heb je opgericht met Hayzee, die bij jou op school zat. Hoe ontstaat zoiets?

“Ik zat in de derde van het vmbo, hij in de vierde van de havo. We leerden elkaar kennen op het schoolpleintje. Ik wist dat hij beats maakte, composities met de computer. En hij wist dat ik schreef. ‘Laten we een keer samenwerken’, zei hij. Op een gegeven moment was ik alleen maar op zijn producties bezig, omdat ik die zo vet vond. Toen dacht ik: we doen zo veel samen, laten we een groep beginnen. Op weg naar huis sms’te ik hem: ‘Zwart Licht, zo moeten we heten.’ Hij was het er helemaal mee eens; we zaten op één lijn.”

Zaten jullie ook samen achter de meiden aan, of was het echt alleen maar muziek?

“Alleen maar muziek. We waren helemaal niet bezig met meiden. Muziek was onze passie. De meiden kwamen vanzelf.”

Jij hebt altijd een boekje bij je, waarin je inspirerende woorden opschrijft. Wat is je laatste aantekening?

“Even kijken… [pakt zijn boekje, bladert erin] Gisteren was ik met iemand aan het praten over de kans dat je de loterij wint. Die ander zei: ‘De kans is groter dat je twee keer door de bliksem wordt getroffen.’ Toen kwam dit in mij op: ‘Ik ben getroffen door de bliksem, zo langzaam als ik kon, maar zo snel als nodig was.’ Dat kan mij inspireren tot een rapcouplet, want ons volgende album voor Zwart Licht gaat toevallig Bliksem heten. Ik ben ook getroffen door de bliksem: ik ben geraakt door het licht, door Zwart Licht – dat heeft mijn leven veranderd. Waardoor ik als een malle schrijf, waardoor alles in een stroom- versnelling gaat.”

En dan ben je ineens artiest, sta je op festivals te spelen, worden je teksten meegezongen. Hoe ga je daarmee om? De kans bestaat natuurlijk dat je ontzettend…

“…arrogant wordt? Nee, dat overkomt alleen mensen die niet weten waar ze vandaan komen, denk ik. Ik weet heel goed waar ik vandaan kom. Mijn familie zit zo in elkaar dat ik in no time weer met beide voeten op de grond sta. Ik weet waar ik het voor doe. We hebben het nooit heel goed gehad. Als je die basis hebt, ga je je best doen om ervoor te zorgen dat iedereen het goed heeft. Zolang dat niet het geval is en alleen ik het goed heb, ben ik niet geslaagd. Ik wil dat ook mijn vader en moeder okay zijn, mijn familie.”

Zijn die niet hartstikke trots?

“Zij zijn hartstikke trots op mij. In het begin vond mijn vader het een beetje gek, hij vond me een beetje een clown. Hij snapte me niet: ‘Hoezo ben jij op een podium? Waarom word je geen advocaat? Dat wilde je vroeger toch altijd worden?’ Maar nu zijn ze heel trots. Ze komen ook regelmatig naar mijn optredens kijken. Super leuk!”

Eind 2008 tekende Zwart Licht bij het hiphop-label Top Notch, waar jullie de albums Bliksemschicht (2009), No Juju (2010) en Leeroy Draait Door (2012) uitbrachten. Welke past het meest bij jou?

“Bliksemschicht: daar is het mee begonnen. Onze nieuwe plaat is daar een vervolg op.”

In dezelfde week dat jij het contract met Top Notch tekende, werd je aangenomen op de vooropleiding voor de theaterschool.

“Dan te bedenken dat het niets scheelde of ik had bij de Marechaussee gezeten. Ik wilde in dienst, maar er was een wachtlijst. Ik was mezelf nog aan het onderzoeken. Ik had een vmbo-diploma, maar daar was ik niet tevreden mee. Ik nam het vmbo ook totaal niet serieus; het daagde me niet uit. Ik kwam gewoon stoned op het examen. Mijn docent zag het en zei: ‘Akwasi, jij vuile zwerver, ben jij stoned? Nou, ik hoop dat je zakt.’ Ik slaagde met vlag en wimpel. Maar ik vond er niets aan. En als je van het vmbo komt, heb je nauwelijks perspectief. Ik kon alleen kiezen uit iets in de verzorging, de techniek of de administratie. Dat was het. Omdat het met de Marechaussee niet opschoot, meldde ik me – geïnspireerd door Likeminds – aan voor de vooropleiding voor de theaterschool.”

Waar deed je auditie mee?

“Negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken. Ik was meteen door. Helaas duurde die vooropleiding maar één jaar. Mijn mentor, Aram Adriaanse, zei: ‘Jij móét naar de toneelacademie in Maastricht.’ Ik dacht: Ja, dáág. Er zijn zo veel mensen die ik ken die in het theater en de film presteren zónder een opleiding aan de toneelacademie te hebben gedaan. Waarom zou ik dat dan wel doen? Ik ga mijn tijd niet verspillen. Maar ik ging toch auditie doen, omdat ik waardering had voor mijn mentor. Maastricht was enthousiast over mij: ik kon kiezen uit twee opleidingen. Ik koos voor de opleiding Theatraal Performer. Ik moest een formulier invullen, met daarop welk onderwijs ik gevolgd had. Voor Maastricht had je minimaal havo nodig. Dat had ik niet, maar ik vinkte dat wel aan. Nooit wat van gehoord.”

Je was al bezig met schrijven en zingen. In hoeverre sloot de toneelacademie daarop aan? Wat was het plan daarachter?

“Er was geen plan. Ik wilde doen wat ik leuk vond. En ik wilde iets afmaken.”

Wat heb je in Maastricht geleerd of afgeleerd?

“Ik ben erudieter geworden, meer belezen, ik heb meer geduld, mijn theatrale bewustzijn is sterker geworden… En mijn woede heb ik afgeleerd. Ik was echt een driftkikker. Ik ben zo kalm geworden sinds de toneelacademie, terwijl daar zo veel nare dingen zijn gebeurd.”

Noem eens een voorbeeld.

“Al tijdens de eerste dagen werd ik op straat gearresteerd. Ik liep met mijn nieuwe klasgenoten van school naar de AH, toen er twee agenten op me afkwamen die me tegen de muur zetten. Ze zeiden dat er net een overval op McDonald’s was gepleegd en dat ik vol- deed aan het signalement: korte dreads, leren jack, spijkerbroek, blauwe sportschoenen – precies wat ik aanhad. Ik dacht eerst dat ik in de maling werd genomen. Maar dat was niet zo. Mijn klasgenoten liepen door en ik werd gefouilleerd. Is dit echt Nederland? Ik werd gewoon beledigd. Volgens mij was er helemaal geen overval geweest.”

In Maastricht, de toneelschool, kwam je in een nog wittere wereld dan je gewend was.

“Ik heb nog nooit in zo’n witte wereld gezeten.”

Wat deed dat met jou?

“Toen ik daar was, realiseerde ik me nog meer dat ik een zwarte man ben. Ik was zelfs de eerste zwarte jongen die afstudeerde in de opleiding Theatraal Performer. Het curriculum was niet afgestemd op iemand die al praktijk-ervaring had in de muziek. Ze hadden vooral ervaring met kindjes van acteurs of regisseurs, zoals Reinout Scholten van Aschat. Iemand die op Lowlands of Noorderslag stond, dat kenden ze helemaal niet. Ik vond het een eer dat de directie mij twee maanden na mijn afstuderen uitnodigde om het curriculum te verbeteren. Want zij wisten heel goed dat ze met mij een vreemde eend in de bijt hadden. Ik heb gezegd wat beter kon en toegevoegd moest worden: cultureel ondernemerschap bijvoorbeeld. Dat is nu echt een vak. Dat vind ik heel mooi.”

Heeft de toneelacademie andere ambities in jou aangewakkerd?

“Ja, zeker. Vanaf het derde, vierde jaar wist ik dat ik een bedrijf wilde oprichten dat 360 graden in de rondte gaat. Dat zou een muzieklabel moeten zijn, een televisieproductiebedrijf, ik wilde onder mezelf kunnen opereren en ook een platform bieden aan opkomend talent. En kijk waar ik nu ben: Ik houd kantoor in het gebouw van productiebedrijf BlazHoffski, waarvoor ik televisieformats ontwikkel onder mijn eigen productiebedrijf Need Vision. Mijn muzieklabel Neerlands Dope zit in het kantoor aan de Wibautstraat. De Britse vertakking, Need Recordings, zit eraan te komen. Het zijn nog losse onderdelen, maar ooit komen ze samen onder een holding. Het neemt al vorm aan. Dat komt ook door de voeding die ik kreeg van de mensen op de toneelacademie. Zij leerden mij ook dat je niet moet wachten, maar initiatief moet nemen.”

In 2012 rondde jij je studie af en maakte jij je eerste stappen als solorapper. Waarom solo?

“Op het moment dat ik een contract aangeboden kreeg bij Top Notch, heb ik gezegd dat ik ooit platen in eigen beheer wilde uitbrengen. Alleen toen kon ik niet én de Zwart Licht-platen in eigen beheer uitbrengen én school afmaken. Ik tekende even mijn rechten weg en ging ondertussen naar school. Op het moment dat ik afstudeerde, richtte ik Neerlands Dope op en ben ik het zelf gaan doen.”

Neerlands Dope doet denken aan Neerlands Hoop, in de jaren zeventig de cabaretgroep van Freek de Jonge en Bram Vermeulen. Misschien niet geheel toevallig: met het album Daar Ergens (2014) bracht jij een ode aan het oeuvre van Bram Vermeulen. Wat heb jij met hem?

“Hij is een beetje mijn spirituele mentor geworden. Ik luister niet veel naar Nederlandstalige muziek, maar om hem kan ik niet heen. Dat komt vooral door het nummer De Wedstrijd. Het raakte me hoe hij met kleine woorden grote dingen kan vertellen. En zijn stemgebruik: zo rauw, zo hees. Hoe ik rap, zo zingt hij. Hoe hij zingt, zo rap ik. Zo voelt dat. Als ik zou zingen, zou ik als Bram Vermeulen willen zingen. En volgens mij schelen onze stemmen niet zo veel, want ik word steeds heser. En dat vind ik mooi. Ik ben geen roker, mijn stem is gewoon zo.”

Voor jouw album werkte je samen met onder anderen Typhoon, Lange Frans, Giovanca en Charly Luske. Hoe kies je die uit?

“Er moet een klik zijn. En met al deze mensen heb ik die. Ik kan niet zomaar met iedereen samenwerken, want muziek maken is een intiem proces. Je moet ook goede gesprekken kunnen voeren. Ik ben heel goede vrienden geworden met Typhoon, omdat we gewoon veel praten. Ik ga niet koud met iemand de studio in. Ik had laatst bijvoorbeeld een afspraak met Maaike Ouboter, met wie ik iets ga opnemen. We dronken eerst even een paar biertjes om te kijken of we op één lijn zaten.”

Je album stond een week in de Album Top 100, het nummer Dorst werd bekroond met goud, eerder werd Zwart Licht drie keer uitgeroepen tot beste live act. Wat doet zulk eerbetoon met je?

“We leven in een wereld waar je ego zo nu en dan gestreeld moet worden. Die erkenning dat je goed bezig bent, is fijn. Want als je werk niet opgevangen wordt, waar doe je het dan voor? Wij maken muziek voor de mensen, maar ook voor de eeuwigheid. Tuurlijk doet het wat met me, tuurlijk is het fijn. Maar het is niet een absolute drijfveer. Het begint als uitlaatklep.”

In hoeverre ben jij solo anders dan met Zwart Licht, qua stem, boodschap, energie?

“Solo ben ik persoonlijker, Zwart Licht is een drie-eenheid (met ook MC Leeroy, die Akwasi en Hayzee aanvult tijdens de liveshows; red.). Ik kan wel fan zijn van Bram Vermeulen, maar de andere twee voelen niets voor zijn muziek. Ook hebben zij niets met theater. Solo is de echte Akwasi. Dat ben ik in Zwart Licht ook wel, maar dan vormen we een super team.”

Zijn nummers als Weet niet waarom ik huil vandaag niet wat soft voor de macho hiphopwereld?

“Als ik zeg dat mannen ook mogen huilen, ben ik nog steeds stoer. En dan heb ik er echt totaal schijt aan wat de hiphopwereld daarvan vind. En als iemand er wat van wil zeggen, dan hoor ik dat graag, want ook dat is hiphop. Maar ik heb van niemand klachten gehoord, ik heb alleen maar liefde gekregen voor mijn eerlijkheid.”

Wanneer heb jij voor het laatst gehuild?

“Eergisteren nog, toen ik hoorde dat een jeugdvriend van mij in Osdorp was doorgeschoten: Justin, het neefje van mijn collega Leeroy. Hij is meerdere keren meegegaan naar optredens en videoshoots van Zwart Licht. Een jongen van vijfentwintig. Dat deed pijn. Ja, toen heb ik ge- huild. Het is heel gek… Ik zit in verschillende werelden: aan de ene kant in de hiphopwereld, door mensen op de toneelacademie wel ‘laagcultuur’ genoemd; aan de andere kant zit ik in de theater- en filmwereld, die je dan ‘hoogcultuur’ zou kunnen noemen. Ik praat met jongens van de straat en mensen die binnen zijn, die vierkante meters tot hun beschikking hebben. Dat verwart me soms wel.”

Ga je die moord, die pijn, verwerken in een lied?

“Dat zou kunnen. Wat mij boos maakt, dat beweegt mij.”

Heb je rituelen met het schrijven?

“Iedere keer als ik begin, pak ik een pen en een leeg vel en schrijf ik alles wat in mijn hoofd opkomt: ‘Ik mis mijn zus’, ‘de lucht is mooi blauw’, ‘ik heb zin in seks’… Free writing. Gewoon om de pols los te maken en de hersenen te doen kraken. Ik laat de pen pas los als het vel vol is. Dan ben ik warm en kan ik schrijven.”

Laat jij je leiden door de pen en het woord of heb je een onderwerp in je hoofd?

“Het woord leidt mij. Ik ben een slaaf van het woord.”

Wat vind jij het mooiste woord?

“Ik vind het woord ‘eufemisme’ wel sexy, heel sierlijk.”

In hoeverre verschilt Bliksem van Bliksemschicht?

“Bliksem gaat over harde beats en identiteit: de harde waarheid. De jongens zijn mannen geworden, dat is het grote verschil tussen de twee albums.”

Je bedenkt televisieformats, maar bent ook vóór de camera te zien: je had bijrollen in de televisieseries Moordvrouw, Feuten, Toren C en De Vluchtkerk en de korte films Zorn en Always Hardcore. Ook was jij op het podium te zien, met Hate, de Britse theaterbewerking van de Franse film La Haine. Wil jij je ook als acteur verder ontwikkelen?

“Het is ‘en en’. Op dit moment ben ik de serie De Jongens aan het ontwikkelen. Die gaat over twee donkere jongens uit de Bijlmer die een luxueus appartement in Oud-Zuid gaan betrekken. Het verhaal is gebaseerd op anekdotes uit mijn eigen leven. Donkere jongens die in een nieuwe wereld komen te leven. Ik schrijf het script en neem ook een rol voor mijn rekening. Een uitvergroting van mijn karakter.”

“Het is lang geleden, maar het is belangrijk om te weten waar je vandaan komt. Een boom zonder wortels is als een man die zijn geschiedenis niet kent”

Je bent presentator geweest van het programma De Slavernij Voorbij. Dat ging onder meer over Ghana, en vooral kasteel Elmina, dat in de 17e eeuw het centrum van de Nederlandse slavenhandel was. Kwamen er voor jou nieuwe zaken aan het licht?

“Mijn voorouders waren geen slaven. Zij waren de rijkere Ghanezen die de armere Ghanezen uit het noorden verkochten aan de Nederlanders, die ze vervolgens exporteerden naar Suriname en de Antillen. Daar schrok ik wel van.”

Wat deed dat met je?

“Dat was wel even slikken. Ik heb meer Surinaamse dan Ghanese vrienden. Maar in een ver verleden waren we familie. Het is lang geleden, maar het is belangrijk om te weten waar je vandaan komt. Een boom zonder wortels is als een man die zijn geschiedenis niet kent.”

Wat deed dat met je?

“Dat was wel even slikken. Ik heb meer Surinaamse dan Ghanese vrienden. Maar in een ver verleden waren we familie. Het is lang geleden, maar het is belangrijk om te weten waar je vandaan komt. Een boom zonder wortels is als een man die zijn geschiedenis niet kent.”

Sinds 2015 ben jij geregeld te zien bij De Wereld Draait Door, als tafelheer en spokenwordartiest. Word je sneller herkend op straat?

“Absoluut. Ik was vorig jaar op Aruba, daar werd ik herkend. Ik was in Thailand, waar ik door Nederlanders op straat werd herkend. Zelfs in Japan werd ik herkend. Door mensen die niet in mijn doelgroep zitten. Ze zeggen ook niet ‘Hé, Akwasi’, maar ‘Hé, De Wereld Draait Door’. Dan stel ik me even voor – dat vind ik wel belangrijk.”

In 2016 nomineerde Esquire jou voor Best Geklede Man. Wat heb jij met kleding?

“Ik ging vroeger altijd in pak naar de zondagsschool en stond daardoor al van jongs af in de spiegel te kijken. Het shirt moet altijd gestreken zijn, anders kan ik niet uit huis. Ik houd van mooie lange jassen, goed zittende boxershorts… En ik heb super veel schoenen. Liefst draag ik elke dag een ander paar. Ik koop veel kleding, ik krijg veel kleding en ik geef veel kleding weg – ik moet wel, want anders woon ik straks in één grote inloopkast. Een shirt of een pak dat ik op televisie gedragen heb, geef ik het liefst meteen weg; daar ga ik niet nog een keer in lopen. Ik heb genoeg neven die ik er blij mee kan maken, of het gaat naar het Rode Kruis.”

Waar gaat jouw geld naartoe?

“Ik ben niet zo’n big spender, ik ben meer van het sparen. En van het investeren in mijzelf. Ik ben nu aan het investeren in een studio, zodat ik nog beter kan werken en nog onafhankelijker kan zijn.”

Wat is jouw definitie van luxe?

“Luxe is doen wat je wilt doen, te allen tijde. Ik ben eigen baas, dus dat kan ik. Het gaat mij meer om wat je doet en daar de tijd voor kunnen nemen dan om materiële dingen. Hoewel ik horloges wel heel tof vind.”

Wat wens je dat men later over je zegt?

“Ik merk dat ik tegenwoordig heel veel met mijn nalatenschap bezig ben, voor als ik er niet meer ben. Vroeger zei ik: ‘Als ik doodga, wil ik minimaal op het Journaal komen.’ Ik denk dat dat nu wel gaat gebeuren. Maar ik wil nog niet dood, ik heb nog zo veel te doen, er valt nog zo veel te verbeteren aan de wereld. Later wil ik dat mensen mij herinneren als iemand die dingen gedaan kreeg. Die geen gouden bergen beloofde, maar bergen verzette. Iemand die niet te lang dacht, maar gewoon deed. Iemand die niet bang was om te vallen. Als ik op mijn bek ga, prima.”

Welke tekst moet er laten op jouw grafsteen komen te staan?

“Dat wordt iets uit Testament, gebaseerd op het gelijknamige nummer van Bram Vermeulen: ‘Dood ben ik pas als jij me bent vergeten.’”

LXRY Magazine #29

Wil je het magazine bestellen met dit Akwasi-interview? Bestel dan via onderstaande knop LXRY Magazine met ook daarin ook inhoudelijke reportages, geweldige fotografie en unieke merken, trends en plaatsen in de wereld.

LXRY Magazine 29